1,9

Het blijft ons achtervolgen. Ook in het recentste interprofessioneel akkoord zweren de sociale partners bij een globale vormingsinspanning voor werknemers a rato van 1,9% van de salarismassa in de bedrijven. Het is zeker niet de eerste keer dat de fameuze 1,9 als doelstelling wordt vooropgesteld. Onze beleidsmakers zijn er al meer dan 10 jaar mee bezig. Bij elke evaluatie stelt men evenwel vast dat men de doelstelling nog niet heeft behaald. Soms blijken de opleidingsinspanningen er zelfs op achteruit te gaan!
Maar de aanhouder wint. Vroeg of laat zullen we met z'n allen kunnen vaststellen dat de 1,9 een feit is en dat Europese richtlijnbewakers ook in België op beide oren zullen kunnen slapen.
Het spreekt vanzelf dat de sectorale opleidingsinstanties, die uiteindelijk als opdracht hebben de sectorale middelen zo goed mogelijk in te zetten, een belangrijke rol krijgen toebedeeld in het realiseren van de 1,9.

Wat precies de inhoud van de 1,9 is, daar wordt nog over gediscussieerd. Zo is het uitkijken naar de conclusies van de besprekingen binnen de Nationale Arbeidsraad (NAR). De sociale partners proberen er een consensus te bereiken over definities, meetpunten en criteria. Een lastige, tijdrovende klus.
Ondertussen kunnen we twee dingen doen: afwachten of meedenken.

Vandaar dat IVOC onlangs een analyse maakte van de opleidingsinspanningen in een aantal bedrijven die van IVOC-diensten gebruik maken. Het gaat meer bepaald over een steekproef van 53 bedrijven met een opleidingsportefeuille. Samen stellen deze bedrijven bijna 2900 mensen tewerk. We analyseerden voor elk bedrijf de inspanningen over één volledig werkjaar (het recentste), goed voor in totaal zowat 56.000 geregistreerde manuren opleiding. Het is een analyse zonder wetenschappelijke pretentie, en het is best mogelijk dat de NAR ons uiteindelijk door een andere bril doet kijken. Maar ook onze cijfers hebben hun rechten.

Uit onze analyses blijkt zo dat een kleine helft van de bedrijven de norm haalt, sommigen met gemak. Gemiddeld investeren de geanalyseerde confectiebedrijven trouwens 1,8% van hun salarismassa in de opleiding van hun werknemers. Net niet geslaagd, zo lijkt het. Maar omdat enkel de opleidingsinspanningen die bij IVOC gekend zijn in rekening werden gebracht, mogen we ervan uitgaan dat een meerderheid van de bedrijven die gebruik maken van IVOC-opleidingssteun de verwachtingen wel degelijk inlossen.

De sociale partners die IVOC besturen hebben uiteraard met belangstelling nota genomen van deze cijfers. Toch vinden zij de kwaliteit van de geleverde opleidingsinspanning, evenals de participatiegraad, veel belangrijker dan de tegenwaarde van opleidingen in procent van de salarismassa.

Tenslotte moet duidelijk gesteld dat deze analyse slechts een beperkt gedeelte van de bedrijven en werknemers uit de sector betreft. We mogen ervan uitgaan dat confectiebedrijven die geen gebruik maken van IVOC-steun ook een relatief lagere opleidingsinpanning leveren.